dinsdag, 27 december 2011 11:00

Cor Hospes

Cor Hospes, journalist, spreker

Een jaar vol emotie. Himmelhoch jauzend en af en toe Zum Tode Betruebt. Want natuurlijk: we maakten mooie dingen met Tsjee. Ik heb genoten van mijn werk. Heb gekust, gehuild, geleerd en gelachen. En ik schreef mijn tweede boek over guerrillamarketing dat in het voorjaar 2012 hopelijk uitkomt. Maar 2011 is vooral het jaar waarin mijn vader overleed. En dat werpt een schaduw over alles. Ik was, ja, hoe noem je dat, ceremoniemeester op zijn begrafenis in oktober, waar ik twee verhalen mocht vertellen. Een over zijn lijflied ‘Kalinka’ van Ivan Rebroff. Waarom dat zijn lijflied was, dat vertel ik misschien nog een andere keer. Maar dit was mijn andere verhaal. Noem het een ode aan mijn vader. Aan mijn papa. Andere gevoelens in momenten heb ik even niet

Dag papa,

De exacte datum ben ik vergeten. Maar het moet zo’n zes jaar geleden zijn geweest. Vlak voordat Joeki werd geboren. Ik wilde een dag met je alleen zijn. Omdat ik graag wat meer over je wilde weten. Omdat ik meer over het papaschap wilde weten.

En wie kan je daarover meer vertellen dan je eigen vader. Daarbij: zeg nou zelf. Hoe vaak praat je eigenlijk met je ouders. Over hun leven, hun gevoelens, hun denken en doen.

Lopen ging toen even niet meer zo goed. Iets met je knie, geloof ik. Of er was een ander kwaaltje waardoor de dag een onverwachte wending kreeg. Je had een hart van een reus, maar in je lijf bleef het onophoudelijk aan je knagen, en daardoor kraakte of piepte er altijd wel iets.

Een wandeling door Leeuwarden wilde ik met je maken. De poëzie route. Leek me wel aardig. Met zijn tweeën een beetje mijmeren bij gedichten. Hermans, Kopland, Slauerhoff, Toergenew, Fedde Schurer. Maar al na een paar honderd meter was ik je kwijt aan mensen op straat.

Dan was er een stratenmaker die je aansprak, dan een mevrouw in een tuin. We passeerden ook het gebouw waar je je MO-aktes had gehaald, toen werd je even persoonlijk. Maar die gedichten, die deden je helemaal niks.

Dus zei je: ‘Ik dacht dat we het gingen hebben over mijn leven. Ik dacht dat je dat graag wilde horen.’ En dat wilde ik ook. Ik besefte alleen niet goed nog dat ik daarvoor het verkeerde decor had uitgezocht. Want wie met jou wilde praten, wie jou wilde leren kennen, moest met jou in de auto gaan zitten. Jij naast de bestuurder. Dat kunnen veel van je makkers van het Nederlands Genootschap van Leraren en andere vrienden bevestigen. Dan werd je bijzonder in je openheid. Dan opende je de deur naar je gevoelens.

Kom, we gaan, zei ik. Waar wil je naartoe?

Naar Workum, antwoordde je. Dus reden we richting de Zuiderzee. Je was gek op de zee.

Nog maar Leeuwarden uit begon je te praten. Je sprak over je jeugd in Nieuweschoot, over je veroveringen, over Tine, want je was een enorme womanizer.

Het moet worden gezegd, en ik heb oude foto’s van je laten zien aan vrouwen die er verstand van hebben, je was wat je tegenwoordig noemt een lekker ding. Vrouwen waren gek op je en jij was gek op vrouwen. Die Roel, ja, ‘die hie heldere eegjes’.

Eens fietste je met je broertje samen over straat en kwam er een jong wat voorlijk meisje voorbij. Jij dacht natuurlijk dat zij naar jou glimlachte. ‘Wat een mooie stoot, wat een bears. Dêr soe ik sa een skot op weagje. Als ik Tine net al hie.’ En je was met Tine. Met wie je op je 24e zou trouwen.

De vonk sloeg over bij de Tent in Mildam. Daar moest je destijds als jongen tijdens Pinksteren voor de chickies zijn. En natuurlijk was Tine er ook. Je had haar al eerder gespot, en jullie hadden al voorzichtig naar elkaar gelachen tijdens de jongens- en meisjesvereniging Het Centrum van de Nederlands Hervormde Skoattertsjerke. En nu zag je haar na afloop van het Tent-feest, op de fiets stappen met een vriendin richting huis.

Er achteraan. Met een vriend die dan maar die vriendin van Tine moest scoren. Maar die vriend haakte af, dus pakte jij snel je fiets, en whoeps, die moest je echt even flink over een haag trekken, verdorie een lekke band, ook dat nog, niet zeuren, achter Tine aan en snel.

Van Mildam naar Rottum, op een lekke band, nee, dat lijkt me geen lekker stukje fietsen. Maar jij vertelde me dat je over de weg zweefde. Tine.

Want voor haar had jij gekozen. En zij voor jou. Omdat je van die mooie handen had, zei ze mij eens.

Je bleef haar altijd trouw, 55 jaar zijn jullie getrouwd. En ach dat womanizen, mama haalde daarover altijd even koel als superieur haar schouders over op als je alweer erg lang over een boodschap naar de Centra of Appie deed. ‘Lit de man maar even. Lit um mar even lekskooje mai de frolje’.

Je ‘heldere eegjes’. Ik zag ze de laatste keer in Leeuwarden in het ziekenhuis waar je de laatste maanden te veel verbleef. Bij zuster Fatima. Je zat mokkend in een hoek, maar toen kwam zij en jij fleurde helemaal op toen Fatima haar mooiste glimlach aan je gaf. Dat kon je goed met die eegjes.

In Workum aten we een haring, en vooruit nog een, met een biertje en een jenever, natuurlijk, nog een, het was mooi weer op het terras.

Verder toeren langs het water zuidwaarts richting Gaasterland, langs het badpaviljoen van Hindeloopen, je praatte over collega’s die er niet meer waren, over vrienden. Je was heel trouw aan de mensen die je vertrouwde. Daar praatte je met heel veel liefde over.

Die dag met jou is mijn meest dierbare herinnering aan jou papa. Samen in de auto. Jij, heel open en blij, maar daaronder woelde het, vertelde je. Worstelde je met je vader. Met diens eeuwige donkerte en het onvermijdelijke drama dat daaruit volgde.

Jij had dat een plek gegeven, op een eiland waar jij alleen mensen toeliet die je gevoelens serieus namen. Mensen die je vertrouwde en graag mocht. Anderen die jou niet aanstonden of die je twijfel verschaften, bij hen hield je je gedeisd.

Ik begreep je sinds die dag een beetje beter. Begreep waar je nukken vandaan kwamen. Begreep je onzekerheid. Kreeg nog meer respect voor je ambitie. Voor je ondernemendheid. Jammer genoeg ontbrak het je daarbij net aan dat beetje lef.

Ik weet nog hoe je keek toen ik jaren geleden mijn vaste baan bij een communicatiebureau opzegde om voor mijzelf te beginnen. Ik zag de bezorgde blik in je ogen als ik weer eens met een rugzak de wereld in trok, je begreep dat niet. Maar trots was je wel.

Jij kon werken voor Shell. Je kon burgermeester worden van een dorpje nabij Gouda, burgemeester worden van Dronrijp, maar je deed dat niet. Omdat Tine dat niet wilde, zei jij. Maar dat was geen eerlijk antwoord die dag in Workum, en dat wist je ook. Want je had het haar nooit gevraagd.

Tine droomde van Zuid-Afrika. Zij voelde voor avontuur. Jij niet. Jij zat vast aan je roots. Niet alleen in je hoofd, maar ook in je schoenen. Jij kon niet buiten Fryslân. Jij was Fryslân. Daar was jij de burgemeester van de Twentelaan.

Als je bij ons langs kwam in Amsterdam, wilde je na tien minuten alweer naar huis. En die drang werd alsmaar sterker. Naarmate je ouder werd, zat je steeds vaster.

Ik hoorde afgelopen week een nummer van Stef Bos. ‘Pappa ik lijk steeds meer op jou.’ Een afschuwelijk sentimenteel nummer, vond ik altijd. Nu pas ging ik luisteren, en het was alsof ik dat lied had geschreven. Zinnen als:

‘De waarheid die je zocht en die je nooit hebt gevonden, die zoek ik ook, en tevergeefs.’

‘Jouw woorden liggen nu op mijn lippen, en ik praat zoals jij vroeger praatte.’

‘We zweven in gedachten, maar we komen altijd thuis.’ ‘Maar papa, ik hou steeds meer van jou.’

Ik lijk op je papa. Ik heb jouw eegjes. Je onzekerheid herken ik. Je nukken herken ik. De woorden die ik spreek tijdens congressen en workshops, ze komen uit jouw mond. De zinnen uit mijn pen, die heb ik allemaal van jou. Ik overschreeuw me soms ook. Kan ook uit afgunst ontploffen. En dat is helemaal niet erg. Kon ik je dat nog maar vertellen.

De laatste dagen zat je op je eiland opgesloten in een maalstroom van onverwerkte gedachten die je dieper en dieper naar beneden trokken. Draaikolken waar je niet meer uit ontsnappen kon. Je riep om hulp, heel hard om hulp, maar niemand, hoe graag iedereen dat ook wilde, die je daar bereiken kon. Niemand nog die je redden kon. Totdat je in je slaap je rust vond in een diepe bevrijdende zucht.

Pappa, je bent nu verder van mij weg dan je ooit bent geweest. Maar ik hoef niet ver naar je te zoeken. Ik zie je in mijn broers en zus, ik zie je in de ogen van mama. Ik zie je in mijn kinderen, zoals ze mij ooit in de ogen van hun kinderen zullen zien. Ik ben papa.

Ik draag je in mij. Je ligt te slapen in de kluwen van mijn herinneringen. Om daaruit af en toe op te staan. Met een diepe bevrijdende zucht. Om verder te leven waar je was.

Dag papa. Ik zie je vast zo.

Samen op weg. Naar waar je zo graag wilde zijn.

In jouw woorden: Voorwaarts, mars.

Cor vader en zoon 980

More in this category: « Elja Daae Harmke Oudenampsen »

22 comments

Leave a comment

(*) velden zijn verplicht.