dinsdag, 27 december 2016 20:00

Karin Ramaker

Ik loop eerst de verkeerde afdeling op. Voordat ik mijn handen was en desinfecteer pak ik mijn jas en tas weer en ga. Ik heb soort van haast. Ik moet naar hem toe. Ik loop weer door een geopende deur een afdeling op. Ik was mijn handen met desinfecterend spul. Het ruikt apart. Ik kijk naar rechts en zie een piepklein bedje met hem erin. De machines zijn aangesloten en ik hoor piepjes. Op de intensive care hoor je alleen maar piepjes en alarmpjes afgaan.

Als ik bij zijn bed kom slaapt hij. Er komen slangen uit zijn lijf. Hij wordt beademd. Hij beweegt af en toe zijn ene hand. Ik pak zijn arm en wrijf er zachtjes overheen. ‘Hé, grote kleine vriend. Ik ben er. Ik pas op jou.’ Heel even zie ik zijn wenkbrauwen bewegen. Hij beweegt zijn arm. De verpleegster komt kijken. ‘Jij bent de tante? Ik hoorde dat er was gebeld dat je hierheen kwam.’ Ik knik. Ze controleert wat slangen, kijkt op de pomp die ergens bovenaan bungelt met sondevoeding erin. Heel langzaam drupt er een beetje door een dunne slang naar zijn maag. Als ze weggaat bekijk ik het grote litteken op zijn borst. Het is felrood. Misschien wel tien centimeter. Ooit zou hij daar stoere verhalen over vertellen. Het beneemt me even de adem en ik snik. Verdomme! Net als je door een zware hartoperatie komt en denkt dat het achter de rug is... Zijn linkerarm en been liggen er bij alsof ze niet meer van hem zijn. Herseninfarct. Verdomme.

Ik veeg snel mijn tranen weg. Nu geen verdriet. Dat doe ik later wel. Ik wil er voor hem zijn. Vanavond. Ik wil hem troosten. Ik wil hem liefde geven. Hij verdient het.

Ik wrijf zachtjes over zijn wangen, over zijn voorhoofd waar ook pinnetjes en een band omheen zitten. Ik aai over zijn verlamde arm, over zijn hand. Ik leg zijn dromendeken, die hij van een vrijwilliger gekregen heeft, verder over zijn naakte lijf. Ik kijk er toch weer even onder, naar zijn benen. Ik aai zachtjes over het beentje dat het doet en dan ook over zijn verlamde been. Geen beweging. Dan moet hij hoesten. Zijn beademingsapparaat zit in de weg. Zijn borstkas doet pijn. Hij heeft het benauwd van de slijm. Ik wenk een verpleegster. Hij opent zijn ogen en kijkt me aan. Ja, ik weet dat je dit niet wilt. Verdomde beademingsapparaat. Hij tuit zijn lippen zoals hij voor de operatie deed om te vertellen maar er komt geen geluid uit. Dan zit er een dikke traan in de hoek van zijn rechteroog. Ik slik zelf tranen weg. De verpleegster haalt het slijm weg met een slang. Dat is even vervelend maar het lucht erna op. Hij wordt weer kalmer en sluit zijn ogen. Ik leg zijn dekentje weer goed. Dan stuit mijn oog op de duim en wijsvinger van zijn verlamde hand. Hij houdt de rand van zijn luier vast. Ik frons mijn wenkbrauwen. Nee, dat zie ik verkeerd...


Karin Ramaker (MET-K.COM) is auteur x4, gastouder en blogtrainer. Schrijft momenteel een roman.

More in this category: « Erna van Vondel John van Rooijen »

10 comments

Leave a comment

(*) velden zijn verplicht.